Renaissance (1400-1600)

Het belangrijkste kenmerk van de renaissancestijl is dat vormen en klassieke motieven werden hergebruikt en geciteerd. Zuilen, triomfbogen, timpanen, tongewelven, pijlers en koepels werden op correcte wijze – dat wil zeggen volgens de klassieke voorschriften – toegepast in nieuwe ontwerpen. Een harmonieuze compositie met goede proporties was erg belangrijk, waarbij de mathematiek een grote rol speelde. Brunelleschi ontwikkelde het centraalperspectief, dat uitgroeide tot een van de basisprincipes van de renaissance. De cirkel werd veelvuldig gebruikt als basis voor de plattegrond, waaruit de centraalbouw ontstond. Naast de centraalbouw werd ook het Latijnse kruis van de basiliek toegepast als basis vorm voor de plattegrond in de kerkbouw. Door verschillende ruimten centraal te overkoepelen werd het gebouw één geheel. De muren werden vaak wit bepleisterd en het interieur rijkelijk beschilderd. De door Michelangelo beschilderde Sixtijnse Kapel is hier een beroemd voorbeeld van. Daarnaast werd de zuil het meest fundamentele ornament, waarbij een correcte toepassing van de klassieke zuilenorden een belangrijk uitgangspunt was. De indeling was vaak evenals het exterieur symmetrisch.

Voorbeeld:

  • Westerkerk Amsterdam

Laat wat van je horen

*